Home > Projecten > Paalschuren > Paalschuren in Vlaanderen

Paalschuren - Paalschuren in Vlaanderen

Eind april 2006 is door de auteur van dit stuk in samenwerking met de KVNS een eerste inventarisatieronde uitgevoerd naar paalschuren in Vlaanderen. Hierbij zijn 35 paalschuren of restanten daarvan onderzocht. Hoewel dit aantal klein is, zijn er toch enkele lijnen in de verzamelde gegevens te ontdekken. Vlaamse paalschuren, rond Mechelen "Hollandse schuur' genoemd, verschillen met name in bouwwijze in nog al wat opzichten van hun Nederlandse evenknie. Opvallend is ook dat de naam en de bouwkundige details van deze bouwwerkjes tussen de onderzochte regio's Mechelen en Gent verschillen. In 1950 verscheen ‘Landelijke architectuur' van Clemens Trefois, waarin een halve eeuw onderzoek naar landelijke architectuur bezit werd beschreven. Uit de in dit artikel beschreven beperkte inventarisatie blijkt dat sindsdien nog modernisering van paalschuren heeft plaatsgevonden. Inmiddels zijn ze echter zonder functie en worden ze ernstig in hun voortbestaan bedreigd.

Zoals in een eerder in ‘Land in zicht' gepubliceerd artikel uiteengezet is, draagt dit bouwwerk in Nederland meestal de benaming ‘hooiberg'. Deze is in Vlaanderen onbekend. Trefois gebruikte de benaming ‘paalschuur'. Dit lijkt een kunstmatige naam te zijn, geen enkele van de door ons geïnterviewde personen gebruikte deze naam. Rond Mechelen heet het een Hollandse dan wel een Engelse schuur, rond Gent een veldschuur en in Overmere tekenden we de naam hooischuur op. J. Wouters heeft in 1946 een aantal door hem gevonden namen beschreven[1]. Volgens hem is het echte oude woord voor paalschuur ‘euperdeisse'. Deze naam zijn wij niet tegengekomen. Wel noemt hij eveneens de benaming ‘hooischuur'.  

Verwarrend bij de inventarisatie was dat op een lijst van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed (VIOE) een aantal paalschuren aangegeven stond, die bij nadere beschouwing vaste schuren bleken te zijn, bestaande uit een dak op palen.

Een eenduidige naamgeving voor het onderhavige bouwwerk is dus dringend gewenst. Een kunstmatige naam zoals Trefois die hanteert verdient daarbij misschien toch de voorkeur, om niet de benaming uit de ene regio te bevoordelen boven een andere.

Waar de benamingen ‘Hollandse'en ‘Engelse' schuur vandaan komen is vooralsnog niet geheel duidelijk. In Heindonk was een paalschuur gebouwd door een Nederlander, maar dat was toevallig. In Baarle-Drongen werd verteld dat de paalschuren neergezet waren naar Hollands model, maar ze werden daar juist ‘veldschuur'genoemd.

De benamingen ‘Hollandse' en ‘Engelse schuur' kunnen mogelijk samenhangen met agrarische handboeken uit de 19e eeuw, die het bouwwerk aanbeveelden bij boeren. Dit is echter hypothetisch. Ook een mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij de bouw van paalschuren is nog onderwerp van studie.

Wat betreft de benaming van onderdelen van paalschuren valt op dat er weinig specifieke namen in gebruik zijn. Waar men in Nederland spreekt van roeden voor de palen van de schuur, gebruikt men in Vlaanderen gewoonweg het woord ‘palen'. Ook voor onderdelen van de kap zijn er geen speciale namen die alleen gebruikt worden bij de paalschuur. Hierin wijkt men af van Nederland, waar meerdere eigen benamingen voor onderdelen zijn. Wel zijn er Vlaamse woorden voor onderdelen, die dus afwijken van de Nederlandse, maar ook niet paalschuur-gerelateerd zijn. In dit stuk hanteren we waar mogelijk Vlaamse benamingen, in een enkel geval noodgedwongen een Nederlandse.

Type

Tijdens de inventarisatie zijn alleen paalschuren met vier palen aangetroffen. Deze zijn vierkant of rechthoekig. Wouters beschrijft eenpalige paalschuren in het gebied van West-Brabant en Oost-Vlaanderen. Die hebben wij (nog) niet gevonden; wel vertelde een boer in Blaasveld (Willebroek) dat hij een eenpalige schuur gehad had, die uitgevonden en gemaakt was door de wagenmaker uit het dorp. Oorspronkelijk bestonden de paalschuren alleen uit palen en een kap; later maakte men er wel een verhoogde tasvloer in, waaronder men dan vee of wagens kon stallen.  Op drie erven stonden twee paalschuren; verschillende eigenaren gaven aan dat dat vroeger meer voorkwam in hun omgeving. Bij een eigenaar hadden twee vierpalige en een eenpalige schuur gestaan.

Bouwwijze

Op foto's gemaakt door Trefois zijn paalschuren te zien met (vermoedelijk) eikenhouten palen een een kap van stro. Deze foto's dateren van voor de Tweede Wereldoorlog. Wouters stelt dat het strooien dak later vervangen werd door houten planken beslagen met teerpapier of met eternitplaten of plaatijzer gedekt werd. Dit beeld werd tijdens het onderzoek bevestigd, met dien verstande dat het gebruik van stro bij niemand meer bekend was. Wel gaf een persoon aan dat in zijn streek, Baarle-Drongen, geen riet toegepast werd omdat dat in de streek nauwelijks groeit. Alle aangetroffen paalschuren hadden een kap met moderne dakbedekking. Eikenhouten palen werden nergens meer aangetroffen. Algemeen was het gebruik van grenenhouten (telefoon)palen, alsmede afgedankte spoorrails en andere poutrellen (stalen palen). Ook vonden we betonnen palen, enkele malen zelf gegoten. Illustratief in dit verband is de paalschuur in Kalken (Laarne), die Trefois gefotografeerd heeft, met eiken palen en strooien dak. Nu staat er op die plaats een paalschuur met betonnen palen en een met platen beklede kap, die aan een zijde omlaaggestort is, aldus een triest beeld opleverend. Wat opvalt is dat in de streek rond Mechelen vooral houten telefoonpalen toegepast zijn, terwijl deze rond Gent niet aangetroffen zijn. Daar vonden we (nu) alleen beton en staal. De dikte van de palen varieert van 17 cm tot 22 cm; de lengte van circa 5,60 m tot circa 7,80 m.  

De kap

Een ander verschil tussen deze regio's betreft de kap: rond Mechelen is die bedekt met golfplaat of hij bestaat uit hout bedekt met roofing (teerpapier). De meeste paalschuren met tentdak hadden een kap uit hout en roofing. Rond Gent ontbreekt het houten dak met roofing en komt alleen (stalen) golfplaat voor. Rond Mechelen en in Overmere zijn ook kappen bedekt met eternittegels of eternit golfplaat. Het golfplaten dak moet geschilderd worden. Dat gebeurt tegenwoordig te weinig en daardoor roesten de daken weg. Het teerpapieren dak moet elke twee jaar vernieuwd worden en met tarre ingesmeerd, waarna er zand op gestrooid werd. De kapvorm varieert: rond Mechelen zien we een zeer vlak kapelledak (zadeldak, twee dakvlakken), een schilddak (twee lange en twee korte dakvlakken) of een tentdak (piramidevormig, met vier gelijke zijden). Rond Gent zijn er overwegend schilddaken en enkele (voormalige) tentdaken. De structuur (constructie) van de kappen wijkt grotendeels ook sterk af van wat we in Nederland zien. Daar zien we bij de authentieke paalschuren een sporenkap waarbij de balken die de basis vormen, lanen of laningen genaamd (we gebruiken maar de Nederlandse term), een pen/gatverbinding of een verbinding van verstek gezaagde balken met wat tussenruimte hebben, zodat speling ontstaat. In Vlaanderen bestaan de kappen uit een vaste houten constructie van gezaagd grenen en/of vurenhout, waar geen speling in zit. Bij het tentdak worden hoekkepers (vertikale, de dakbedekking dragende balkjes) en een aantal wat lichtere kepers toegepast. De kepers gaan steeds over de lanen, waarin keepjes (uitsnijdingen) gemaakt zijn van circa 1 cm diep. Als de middenkeper (die soms even dik is als de hoekkepers) in de nok uitkomt, is er een makelaartje. In andere gevallen ontbreekt de middenkeper en ook de makelaar. Een paalschuur in Willebroek heeft wigvormige opzetstukjes aan de uiteinden van de kepers, om het dak meer knelling te geven.

Het schilddak heeft ook hoekkepers, waartussen regels en een nokbalk. Het zadeldak krijgt zijn flauwe dakhelling door de nokbalk direct of bijna direct op het frame te plaatsen.

Op de lanen en kepers of regels komt dan houten dakbeschot met roofing of platen of met golfplaat. Dat laatste komt wel weer overeen met Nederland, waar de moderne paalschuren ook een onvervormbare kap met golfplaat bezitten. Dit hangt samen met het gebruikte instrument om de kap mee te heffen, dat bij moderne schuren, zoals in Vlaanderen en deels in Nederland, afwijkt van de vroegere instrumenten.

De lanen van de kap, die zogezegd in Nederland een flexibele verbinding hebben, kennen in Vlaanderen een stijve verbinding. De balken worden hetzij koud tegen elkaar gespijkerd, hetzij met een niet gemenageerde (versmalde) pen op 1/3 met elkaar verbonden en eenmaal met een lip (afgeschuind deel van balk dat in overeenkomstig gevormd gat valt).

Ophanging van de kap

De kap wordt langs de palen geleid door middel van een stalen oog, dat aan de kap bevestigd is. Rond Mechelen is dit oog altijd rond, dat wil zeggen bestaande uit rondgebogen metalen staaf. De ijzers waar het oog aan vastzit, zijn hier meestal onder tegen de kap geplaatst, hetgeen samenhangt met de eerder genoemde pen/gatverbinding. Rond Gent is het oog ook dikwijls vierkant van vorm, de ijzers zijn dan aan de zijkant tegen de kap geplaatst, een pen/gatverbinding ontbreekt dan. In Overmere was er een rond oog, van ronde buis, en waren de ijzers onder tegen de kap bevestigd.

Om de kap te steunen zijn er gaten in de palen gemaakt waar een pen doorgestoken kan worden waar de kap op rust. De afstand van deze gaten varieert van 0,45 m tot ruim 1 m. Dikwijls hangt de kap in feite aan de staalkabels.

Het hefinstrument

Alle door ons onderzochte Vlaamse paalschuren hadden een hefwerktuig in de vorm van een lierwindwerk. In Heindonk (Willebroek) werd het een winde(ke) genoemd. Er bestaan in Vlaanderen twee typen van: rond Mechelen komt overwegend de vorm met een groot en een klein tandwiel voor met wat grotere trommel (doormeter circa 10 cm), verhouding meestal 15/45, soms 20/60. Rond Gent vonden we alleen een simpel windasje met kleine trommel (doormeter 5-6 cm) zonder tandwielen. De trommels zijn langwerpig, cilindrisch tot licht tonvormig van hout met losse stalen flenzen, of van ijzer en kort met brede, aan de binnenkant schuine flenzen. De lieren met tandwielvertraging zijn altijd horizontaal geplaatst, met stalen strippen afgeschoord naar de palen. Als beveiliging zit er bij de vorm met tandwielen een pal op die meestal op het grote tandwiel grijpt; eenmaal greep de pal op het kleine tandwiel. Rond Gent zit er een apart palradje op de windas. In Heindonk werd verteld dat de ijzeren onderdelen van het windwerk en de ijzeren bevestiging aan de roede door de smid gemaakt werden.

Omdat de kappen niet flexibel zijn en dus niet per hoek omhooggebracht kunnen worden, dient het opheffen met twee of zelfs met vier man tegelijk te gebeuren, op twee tegenover elkaar liggende hoeken of op alle vier hoeken tegelijk. Daartoe is er een zwengel met een handvat (de zwong) los verbonden aan het windwerk. Het is een zwaar en gevaarlijk karwei: de vader van een eigenaar had eens zijn been gebroken toen de pal losschoot en hij de zwong tegen zich aan kreeg. Om deze reden is in Nederland algemeen een windwerk met worm in gebruik, dat veel veiliger is.

De kabel loopt over een schijf die bovenop de paal of een stukje onder de top in de paal bevestigd is. Rond Mechelen wordt meestal, maar niet altijd, een tweede schijf toegepast, net boven de kap. Deze schijf wordt met een kettinkje aan de kap vastgemaakt. Rond Gent komt deze tweede schijf nooit voor.

De overeenkomsten die er blijken te zijn binnen eenzelfde regio zouden kunnen wijzen op een standaardontwerp of een zelfde persoon die binnen zo'n regio steeds de paalschuren bouwde. Zeker is dat echter niet. In Drongen werden ze volgens een eigenares gebouwd door iemand die in de streek rondtrok, daarom zouden ze alleen daar voorkomen.

De grootte

De grootte varieert van 5,23 x 4,05 m en 4,75 m vierkant tot 7,95 m vierkant. Meest voorkomende grootte rond Mechelen is omstreeks 6,00 m vierkant, rond Gent zijn er meerdere tussen 7,00 m en bijna 8,00 m. Dat is veel groter dan vierpalige schuren in Nederland, maar daar zijn de palen soms wat langer. In Vlaanderen zoekt men het meer in de breedte, in Nederland meer in de hoogte (of men bouwt vijf- en zespalige types). Bij een grotere breedte is de kap ook breder en dus zwaarder, maar dat is bij het in Vlaanderen alomtegenwoordige windwerk met kabels geen bezwaar. Voor een ouder type windwerk zoals dat in Nederland bij het oude type paalschuur aangetroffen wordt, is een grotere zwaarte wel een bezwaar. Tegenwoordig krijgen deze Nederlandse paalschuren overigens een veel te dik rietdek, waardoor de kap niet meer te heffen is.

De ouderdom

Men weet lang niet altijd hoe oud de paalschuur is. Dikwijls zeggen eigenaren dat de paalschuur er al stond toen zij klein waren en dus nog ouder zal zijn. De oudste eigenaar was 80 jaar. Daarentegen zijn verschillende schuren nog in de vroege jaren vijftig gebouwd. Wat datering nog lastiger maakt is het feit dat de paalschuren dikwijls tweede- of derdehands zijn. Meerdere waren van een andere plaats afkomstig. Het verplaatsen gebeurde op een platte wagen en was een hele toestand, volgens een eigenares. Bij een ander had het hele dorp meegewerkt aan het verplaatsen en nog een ander had de politie ingeschakeld. Er was een vergunning nodig omdat het vervoer het verkeer belemmerde.

Ook zal er hier en daar best vernieuwd zijn, want de vraag is of met name de grenen palen wel zo lang meegaan. De palen worden niet geteerd. Ze rotten weg ‘tussen water en wind', dat wil zeggen op de overgang van natte grond naar lucht. Nogal eens heeft men daarom de onderzijde van de palen in beton gestort. Bij de schuren met een windwerk met tandwielen komt dan vaak om het onderste deel van de paal een ijzeren versteviging, die meteen het windwerk draagt.

Het gebruik

In de paalschuren werd hooi en koren (tarwe, rogge, haver, gerst) opgeslagen en later ook stro. Vooral in de streek rond Mechelen was hooi heel belangrijk. Het werd geleverd aan de steenbakkerij, de gendarmerie en het leger als voer voor hun paarden. Heindonk was gekend voor het hooi. Verder had men daar haver en rogge of tarwe, afhankelijk van de bodem ter plaatse.

Rond Gent werd de verkoop van hooi niet genoemd; niet iedereen had hooi in de paalschuur. In Drongen vertelde iemand dat het hooi bij hen vroeger in huis bewaard werd en pas later in de paalschuur. Rond Gent verbouwde men naast haver en soms gerst vooral tarwe.

Het hooi werd met de gaffel of hooivork opgetast. Eerst werd tussen rondom gelegde balken een laagje takken en/of oud stro neergelegd en daarna het verse hooi. Bij het optassen werd een gat uitgespaard halverwege de hoogte. Hierin stond iemand om het hooi van de wagen aan te pakken en het nog hoger op te kunnen steken. Een persoon moest dat werk doen als jongen van 12-13 jaar, met een touw om zijn middel dat aan de lan vastgemaakt was. Een ander vertelde dat hij op planken in dat gat stond, de ‘berden'. In Baarle-Drongen wist iemand dat er ook wel blazers waren om het hooi in de schuur te brengen, maar juist niet daar. Later kwamen er pakken, die ook nog met de hand in de schuur gebracht werden. Een eigenaar had alleen balen en koren in de paalschuur. In de tijd dat er nog los hooi was ging dat in de boerderij en in mijten.

Na het optassen werd het hooi afgekamd met een rijf (hooihark) om een gladde wand te verkrijgen en het verlies te beperken.

Om broei te voorkomen moest het hooi goed droog de schuur in gaan. Meihooi moest nog langer drogen dan het latere hooi. Een eigenaar had het over 10-14 dagen drogen voor meihooi, maar dat lijkt wel erg lang. In Nederland heeft men het over 3-4 dagen drogen. Verder nam men meestal geen speciale maatregelen tegen broei. Een eigenaar vertelde wel dat hij palen vertikaal in de schuur zette, om de ventilatie te bevorderen.

Het afnemen van het hooi deed men met de handen. De hooispade was wel bekend, maar er werd verteld dat die voor kuilgras was, omdat hooi in de paalschuur te los en droog was om af te kunnen steken. Wel meldde iemand dat zij in haar jeugd het hooi in de paalschuur moest aanstampen. In Nederland is de hooispade in sommige regio's wel in gebruik geweest om het hooi in de paalschuur af te steken. Daar zegt men dat alleen de bovenste halve meter los was; daaronder was het een zeer vaste massa. Met de hooispade werd de contour afgestoken waarna het hooi met de hooivork uitgenomen werd. Maar ook in Nederland zijn regio's waar het hooi met de handen uitgehaald wordt.

Misschien ging het hooi in de Nederlandse regio's waar de hooispade gebruikt werd wat vochtiger de paalschuur in. Men had daar dan ook nogal eens last van broei. Doordat het hooi zo vast was, ging de broeimeter (een lange ijzeren staaf met een thermometer) erg moeilijk het hooi in, en kwam er dan, mede door de hitte, krom weer uit. Boven de 80 ºC moest de paalschuur ‘omgezet' worden, waarbij het goede hooi van het verbrande hooi gescheiden werd, wat gezien de vastheid van het hooi een enorm werk was, dat de boeren liefst zo lang mogelijk uitstelden, soms te lang, met brand tot gevolg.

Het koren werd volgens een eigenaar in de paalschuur bewaard omdat het dorsen zo'n stof gaf. Het werd in bussels rondom gelegd van buiten naar binnen..  Een eigenaar vond de paalschuur ‘gemakkelijk en het hooi bleef er goed in', ‘je had er veel gemak van'.

De toekomst?

Wat in het bovenstaande beschreven is betreft slechts een klein restant van paalschuren. Het is zeker dat wij nog niet alle nog bestaande paalschuren geïnventariseerd hebben, toch is eveneens zeker dat het merendeel van de ooit aanwezige paalschuren inmiddels verdwenen is. In Blaasveld zei men dat weliswaar niet iedereen zo'n schuur had, maar ook dat er vroeger veel meer waren en dat ze verdwenen waren door de achteruitgang van de boerenstand. Eveneens in Blaasveld werd ons verteld dat vroeger iedere boer een paalschuur had, misschien omdat het kleine boeren waren. In Baarle-Drongen stonden vroeger twintig schuren. Paalschuren waren ook daar te vinden bij indertijd kleine boeren, met maximaal tien hectare grond.

Tijdens ons onderzoek waren er enkele eigenaren die aangaven dat zij voornemens waren hun paalschuur te slopen. Op een ander adres was de paalschuur net een week ervoor gesloopt.

Daar staat tegenover dat er ook een eigenaar was die nieuwe roofing op zijn schuur wilde maken. De staat waarin de paalschuren zich bevinden wisselt sterk. Naast in goede staat verkerende schuren troffen we ook ingestorte schuren aan en in een enkel geval zelfs alleen nog de palen.

Uiteraard speelt het teloorgaan van hun oude functie de paalschuren nu parten. Het behoud van bouwwerken zonder functie is zeer moeilijk. De paalschuren die alleen bestaan uit palen en een dak worden nog wel eens als carport gebruikt. In Heffen (Mechelen) had iemand er een zitje onder gemaakt. De paalschuren waarin een verhoogde vloer is gemaakt zijn hier en daar nog in gebruik als stalling voor dieren of landbouwwerktuigen en verder als rommelhok.

Niettemin blijkt de paalschuur toch ook in Vlaanderen een icoon van de landbouw te zijn: in Bornem heeft men een carport gebouwd naar het model van de paalschuur. Het zou een goede zaak zijn als ook meer oude paalschuren behouden blijven, zodat de landbouwgeschiedenis zichtbaar blijft voor toekomstige generaties.

 

                                                                                              Suzan Jurgens

 


 

[1] J. Wouters, Nog de paalschuur, in: Volkskunde 47 (1946), 132-133

Huidige Activiteiten

Contact

Wilt u meer weten over KVNS? Bel, mail of fax ons.

Meer weten?

Meer weten over het werkterrein van KVNS? Bestel ons magazine.